Arrest van 25 november 2025 - Zaak C-713/23 („Trojan“)
De Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat een lidstaat niet mag weigeren een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht dat wettig in een ander EU-land is gesloten, te erkennen als deze erkenning noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer volgens de EU-wetgeving.
De procedure was gebaseerd op het feit dat een Pools-Duits onderdaan in Duitsland Poolse onderdanen trouwden. Na het huwelijk hebben de echtgenoten verzocht om overschrijving van de Duitse huwelijksakte naar de Poolse burgerlijke stand. De Poolse autoriteiten weigerden dit op grond dat het nationale recht niet voorziet in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht.
Het Europees Hof van Justitie zag dit als een schending van Art. 20 en 21 VWEU en tegen Art. 7 en art. 21, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De weigering van de overbrenging belemmert het vrije verkeer van de betrokken personen en vormt een onwettige discriminatie op grond van seksuele geaardheid. Het dwingt de echtgenoten in feite om als alleenstaanden in de lidstaat van herkomst te leven.
Volgens het Hof van Justitie doet de verplichting tot erkenning geen afbreuk aan de nationale bevoegdheid om het begrip huwelijk te definiëren. Het enige doel ervan is de door de EU-wetgeving gewaarborgde vrijheid van verkeer en verblijf te waarborgen. Nationale identiteit en openbare orde staan dit niet in de weg.
Praktische relevantie:
Als een lidstaat slechts één mechanisme heeft voor de erkenning van huwelijken die in het buitenland zijn gesloten, moet het ook zonder onderscheid openstaan voor huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht.
Dr. Marko Oldenburger
